Door Desmond Hughes
Per mei 2026 lijkt de toekomstige verrekening van elektriciteit voor huishoudens in Nederland op te schuiven van één grove jaarafrekening naar een veel fijnmaziger systeem: afname, teruglevering en netgebruik worden steeds meer apart beprijsd.
Wat verandert er na het einde van de salderingsregeling?
De eerste harde verandering is dat de salderingsregeling stopt op 1 januari 2027. Vanaf dan mag een huishouden opgewekte stroom niet meer wegstrepen tegen latere afname. Voor teruglevering blijft wel een vergoeding bestaan; tot 1 januari 2030 moet die minimaal 50% van het kale leveringstarief zijn. Tegelijkertijd mogen leveranciers nog steeds terugleverkosten rekenen. Dat betekent dat de waarde van een zonnepaneel in de toekomst veel sterker afhangt van direct eigen gebruik dan van “terugleveren in de zomer, verbruiken in de winter”. Daarnaast groeit het belang van dynamische contracten: de ACM wijst erop dat bij zulke contracten de vergoeding voor teruglevering per uur of kwartier kan verschillen. Sinds de Energiewet van 1 januari 2026 is bovendien ook energiedelen en levering via energiegemeenschappen een serieuze nieuwe route, al werkt dat nog niet frictieloos en zijn extra regels voor vrije leverancierskeuze en verrekening nog in ontwikkeling.
Van vaste nettarieven naar betalen op piekmomenten
Voor de nettarieven is de officiële richting op dit moment opvallend: de Rijksoverheid schrijft dat het nettarief voor huishoudens vanaf 2028 variabel wordt, waarbij stroom op piekmomenten duurder wordt dan op rustige momenten. Dat is belangrijk, want het zegt iets over de denkrichting van beleid: niet alleen “hoeveel gebruik je?”, maar vooral ook wanneer gebruik je het net. Dat sluit aan bij de verkenning van Netbeheer Nederland en Berenschot uit oktober 2024. Daarin zijn meerdere modellen vergeleken: tijdsblokken, uurprijzen, smallere capaciteitsstaffels en een tarief op basis van week- of maandpieken. Hun lichte voorkeur ging niet naar een klassiek capaciteitstarief, maar naar een tijdsgebonden kWh-tarief omdat netcongestie vooral een tijdgebonden probleem is.
Waarom een capaciteitstarief logisch lijkt
Het idee van een capaciteitstarief met bijvoorbeeld 7 kW of 14 kW (of andere capaciteiten) maximum afname is dus zeker niet vreemd. In feite is het een verfijning van wat er nu al deels bestaat: huishoudens betalen nu al mede naar de grootte van hun aansluiting en de meeste woningen hebben ruwweg een technische grens in die orde van grootte. Zo’n systeem heeft echte voordelen. Het is relatief begrijpelijk, geeft een prikkel om laadpalen, warmtepompen en boilers slimmer aan te sturen en het kan de kosten eerlijker verdelen: zware gebruikers betalen dan meer dan kleine huishoudens in appartementen. Berenschot merkt ook op dat een eenvoudiger piekvermogentarief voor leveranciers waarschijnlijk goedkoper en makkelijker in te voeren is dan een volledig tijdsafhankelijk nettarief.
De zwakke plek: netcongestie draait om gelijktijdigheid
Maar juist hier is kritiek nodig. Een puur capaciteitstarief lost het kernprobleem maar gedeeltelijk op. Netcongestie gaat niet alleen over de hoogte van de piek, maar vooral over gelijktijdigheid. Een huishouden dat 7 kW gebruikt om 13:00 uur is voor het net vaak veel minder problematisch dan 7 kW om 19:00 uur wanneer de hele wijk kookt, laadt en verwarmt. Een zuiver capaciteitstarief ziet dat verschil niet of nauwelijks. Bovendien pakt het de terugleverpieken van zonnepanelen slecht aan, terwijl juist die op veel laagspanningsnetten een groot probleem zijn. Berenschot is daar vrij duidelijk over: een piekvermogentarief kan wel helpen bij vraagpieken maar geeft geen goede prikkel voor aanbodpieken en de uiteindelijke winst voor het laagspanningsnet is daardoor onzeker.
Risico’s voor huishoudens en het elektriciteitsnet
Er zijn nog meer nadelen. Als zo’n tarief alleen financieel prikkelt maar niet technisch begrenst, kopen veel huishoudens simpelweg een hogere band “voor de zekerheid”. Dan verandert de netbelasting minder dan gehoopt. En als het wel technisch wordt afgedwongen, bijvoorbeeld via een slimme vermogenslimiet, roept dat vragen op over comfort, betrouwbaarheid en sociale rechtvaardigheid. Huishoudens met weinig flexibiliteit, huurders zonder slimme apparatuur of mensen met medische apparatuur kunnen relatief hard geraakt worden. Ook laat recent CE Delft-onderzoek zien dat tijdsafhankelijke prikkels wel degelijk gedrag kunnen verschuiven, maar dat het effect op pieken beperkt kan zijn en zelfs nieuwe, gesynchroniseerde pieken kan veroorzaken.
De voorlopige conclusie is daarom: een capaciteitstarief kan onderdeel van de oplossing zijn maar als zelfstandig model is het waarschijnlijk te grof. Logischer lijkt een hybride systeem: een vaste basisbijdrage voor de aansluiting, een tijdsafhankelijk nettarief voor afname, mogelijk later ook een prikkel voor teruglevering op overvolle zonnige uren en daarnaast optionele contractcapaciteit of slimme sturing voor zware apparaten. Dat creëert waarschijnlijk meer netruimte dan alleen “7 kW of 14 kW” en sluit beter aan bij waar de echte netproblemen zitten: lokaal, tijdelijk en steeds vaker ook door teruglevering.
Bronnen:
Rijksoverheid over einde salderen
ACM ConsuWijzer over salderen en dynamische terugleververgoedingen
Rijksoverheid over variabele nettarieven vanaf 2028
Berenschot/Netbeheer Nederland verkenning alternatief nettarief
CE Delft over impact van ToUnettarief